1. Gods eer is het doel van het Avondmaal
2. Gods eer is het doel van ons gebed
Psalm 115:1-18
[1] Niet ons, HEERE, niet ons, maar geef Uw Naam eer, om Uw goedertierenheid, om Uw trouw.
[2] Waarom zouden de heidenvolken zeggen: Waar is toch hun God?
[3] Onze God is immers in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
[4] Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden:
[5] zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
[6] zij hebben oren, maar horen niet; zij hebben een neus, maar ruiken niet;
[7] hun handen, die tasten niet; hun voeten, die gaan niet; er komt geen geluid uit hun keel.
[8] Laat wie ze maken hun gelijk worden, al wie op hen vertrouwt.
[9] Israël, vertrouw op de HEERE, Hij is hun hulp en hun schild.
[10] Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE, Hij is hun hulp en hun schild.
[11] U die de HEERE vreest, vertrouw op de HEERE, Hij is hun hulp en hun schild.
[12] De HEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen, Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen.
[13] Hij zal zegenen wie de HEERE vrezen, de kleinen met de groten.
[14] De HEERE zal u meer en meer zegenen, u en uw kinderen.
[15] U bent gezegend door de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
[16] De hemel, de hemel is van de HEERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.
[17] De doden zullen de HEERE niet prijzen, evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.
[18] Maar wíj zullen de HEERE loven, van nu aan tot in eeuwigheid. Halleluja!